|
Wie is online? |
|
Geen gebruikers online |
|
We hebben 129 gasten online |
|
Ambtenaren bedreigd door boze reizigers, minister wint alsnog van Surinaamse organisaties
'Ik breek hun mars!' Enfin, over hoe de persoonlijke levenssfeer het uiteindelijk wint van de openbaarheid
Aard/toonzetting berichten aan Buitenlandse Zaken vroeg om bescherming belangen ambtenaren c.q. deelnemers delegatie
SHIVA is een Hindoestaanse culturele vereniging, vernoemd naar de hindoegodheid, maar kent men ook van een andere (rechts)zaak: als meisjesnaam in Nederland ook te gebruiken voor erotiek gerelateerde bedrijvigheid. SHIVA heeft samen met de Vereniging van Reizigers, gevestigd te Nijmegen, de Vereniging van Surinaamse Ondernemers, de Mr. Rudolf Lachmipersad Jankie Stichting, gevestigd te Paramaribo, Suriname de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken verzocht om openbaarmaking van 'de namen en gegevens over de deskundigheid van ambtenaren die zijn betrokken bij onderhandelingen tussen de Nederlandse en de Surinaamse regering over de zogeheten Toescheidingsovereenkomst met Suriname uit 1975.'
Die politieke deal pakte voor reizigers op dit drukke transatlantische traject financieel niet zo gunstig uit en dat is vele Surinamers en Surinaamse-Nederlanders al decennia een doorn in het oog. In het 'boze oog' kan men stellen, want de sfeer wordt er niet vriendelijker op. De 100% controles op vluchten vanuit de voormalige kolonie zijn hier tevens debet aan (de voorzieningenrechter in die kwestie werd 8 maart vorig jaar zelfs gewraakt). Juridisch zijn de meeste wegen thans vrijwel opgedroogd. Als enige rainmakers worden de vliegtuigmaatschappijen genoemd.
Voornoemde partijen vroegen de bewindspersoon om openbaarmaking van het post- en e-mailadres en het telefoon- en faxnummer van deze ambtenaren, alsmede de namen van Nederlanders van Surinaamse afkomst met wie de ambtenaren in verband met bedoelde onderhandelingen spreken of voornemens zijn te spreken, de contactpersonen.
De minister heeft het verzoek van SHIVA e.a. in zoverre ingewilligd, dat aan hen de naam en functie is bekendgemaakt van een van de betrokken ambtenaren, zijnde de ambtenaar die als leider van een delegatie in december 2005 Suriname heeft bezocht in verband met onderhandelingen over de Toescheidingsovereenkomst.
Voor het overige heeft de minister het verzoek van SHIVA e.a. afgewezen. Volgens de minister staan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, e en g neergelegde weigeringsgronden aan een verdergaande inwilliging van het verzoek in de weg.
De rechtbank heeft het besluit van 18 juli 2006 gedeeltelijk vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet in redelijkheid met een beroep op voornoemde weigeringsgronden openbaarmaking kunnen weigeren van de namen en gegevens inzake de deskundigheid van de bij de onderhandelingen over de Toescheidingsovereenkomst betrokken ambtenaren. De rechtbank overweegt voorts dat de minister evenmin in redelijkheid openbaarmaking van de namen van de contactpersonen heeft kunnen weigeren.
Onderhandelingsproces met Suriname mag niet te 'stroef' verlopen
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) gaf gisteren gehoor aan de bezwaren van de minister tegen publicatie en dook daarvoor even in de parlementaire geschiedenis van de Wob, de Wet openbaarheid van bestuur:
'2.6. De minister betoogt verder dat hij met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, e en g, van de Wob, openbaarmaking van documenten met daarin de namen van de contactpersonen heeft mogen weigeren. Hij voert hiertoe aan dat hij het verzoek van de contactpersonen om hun namen niet openbaar te maken, heeft ingewilligd, dit mede met het oog op de grote belangstelling voor en de aard van de berichtgeving omtrent de ontwikkelingen rond de Toescheidingsovereenkomst.
De minister betoogt dat hij de belangen van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en voorkoming van onevenredige benadeling van de contactpersonen, zwaarder heeft mogen laten wegen dan het openbaarheidsbelang.
Bovendien zou bekendmaking van de namen van de contactpersonen er zijns inziens toe kunnen leiden dat het voeren van voor de beleidsvorming noodzakelijke vertrouwelijke gesprekken, in de toekomst zou kunnen worden bemoeilijkt.
2.6.1. Dit betoog slaagt. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob (Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 34) is het voor de toepassing van deze bepaling niet noodzakelijk dat men een verslechtering van de goede betrekkingen als zodanig met andere landen of met internationale organisaties voorziet.
Voldoende is dat men als gevolg van het verschaffen van informatie op grond van de wet, voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen, met als gevolg bijvoorbeeld dat het onderhouden van diplomatieke betrekkingen, of het voeren van bilateraal overleg met landen of internationale organisaties, moeilijker zou gaan dan voorheen.
De Afdeling is na kennisneming van de door de minister overgelegde documenten van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de minister bij afweging van het belang van de betrekkingen van Nederland met Suriname tegenover het belang van de openbaarmaking, niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren deze documenten openbaar te maken, omdat aannemelijk is dat contact zal worden gezocht met de daarin genoemde contactpersonen als gevolg waarvan de onderhandelingen over de Toescheidingsovereenkomst stroever zouden kunnen gaan verlopen.
Voorts heeft de minister zich ook in het geval van de contactpersonen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van openbaarheid van hun persoonsgegevens in dit geval niet op opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.
De rechtbank heeft gezien het vorenstaande ook in zoverre ten onrechte het besluit van 18 juli 2006 vernietigd.
2.7. Het hoger beroep is gegrond.' (...) Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden van de ABRvS. LJN: BD8336, Raad van State, 200707674/1
N.b. Citaat in de subtitel is indicatief, voor de feitelijke bewoordingen is wellicht (weer) een Wob-verzoek nodig.
@ Het Juridische Dagblad
|
|
|